E-Learning

Ga aan de slag. Succes !


 
SDG 4 | Kwaliteitsonderwijs voor iedereen |

sdg4
Iedereen naar school en kwaliteitsonderwijs

SDG 4 zegt dat iedereen naar school zou moeten (kunnen) gaan en kwaliteitsonderwijs zou moeten krijgen. Iedereen naar schoolZie ook hier  
In 1990 gingen 100 miljoen kinderen niet naar school en in 2009 was dat verminderd tot 70 miljoen, terwijl er veel meer kinderen zijn.

Vaak kunnen ze niet naar school door conflicten en/of oorlog in hun land.

Vooral in ontwikkelingslanden gaan veel kinderen nog niet naar school. Vaak worden zij thuisgehouden om mee te helpen in het huishouden of een bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Ook hebben veel kinderen in vluchtelingenkampen onvoldoende toegang tot onderwijs.

Verplicht en toegankelijk basisonderwijs is een belangrijk middel in de strijd tegen kinderarbeid. Het geeft kinderen de kans om zich verder te ontwikkelen waardoor hun kansen in het leven toenemen. Dit komt uiteindelijk de hele maatschappij ten goede. Daarom moet ervoor gezorgd worden dat in 2015 alle kinderen overal ter wereld basisonderwijs kunnen volgen en afronden.

Voortgang

(laatste update: september 2015)

Winst

In 1990 ging 80 procent van de kinderen in ontwikkelingslanden naar school, in 2000 83 procent, en in 2015 is dit volgens schattingen gestegen naar 91 procent. Het aantal kinderen dat niet naar school gaat (maar wel de basisschoolleeftijd heeft) is bijna gehalveerd van 100 miljoen in 2000 naar 57 miljoen kinderen in 2015. Deze verbetering is vooral in het begin van deze eeuw geboekt, sinds het vaststellen van de millenniumdoelen in 2000. Sinds 2007 is de vooruitgang fors in snelheid afgenomen, en volgens voorspellingen gaan bijna één op de tien kinderen wereldwijd niet naar school in 2015.

In de regio’s met de grootste achterstanden zijn de grootste winsten behaald. Vooral sub-Sahara Afrika, een regio die op veel andere millenniumdoelen ‘slecht scoort’, heeft grote stappen vooruit gezet. Daar is het percentage kinderen dat naar de basisschool gaat gestegen van 52 procent in 1991 naar een geschatte 80 procent in 2015. Toch woont meer dan de helft van de 57 miljoen kinderen die in 2011 niet naar de basisschool gingen in sub-Sahara Afrika (namelijk 33 miljoen kinderen). Ook in Zuid-Azië is er veel vooruitgang geboekt. Het percentage schoolgaande kinderen steeg daar van 75 in 1990 naar 95 procent in 2015.

Diploma

Hoewel steeds meer kinderen naar school gaan, kan er nog veel worden verbeterd aan de kwaliteit van het onderwijs. Zo zijn er in veel landen onvoldoende (opgeleide) docenten en is er te weinig schoolmeubilair en lesmateriaal. Ook verlaten veel leerlingen hun school zonder diploma. Toch is dit aandeel wel gedaald. Was in lage en middeninkomenslanden in de vroege jaren ’90 slechts 70 procent van schoolgaande kinderen die de basisschool afmaakten, wordt verwacht dat dit in 2015 naar 84 procent stijgt. Dit betekent echter nog steeds dat in dergelijke landen één op de zes adolescenten hun basisschool niet afmaakt.


Streefcijfer

De doelstelling om álle kinderen naar school te laten gaan is feitelijk onhaalbaar. Zo gaan ook in de rijke westerse landen niet alle kinderen naar school, om uiteenlopende redenen. Soms kiezen ouders ervoor om hun kinderen zelf thuis les te geven. Ook kunnen sommige gehandicapte kinderen niet naar school. Het percentage kinderen dat naar school gaat in de ontwikkelde landen ligt volgens schattingen in 2015op 96 procent.

Kansen

Volgens UNESCO zijn oorlog en conflict belangrijke oorzaken dat kinderen niet naar school kunnen. Daarnaast hebben kinderen uit arme (plattelands)gezinnen en vooral de meisjes een grotere kans om niet naar school te kunnen en vroegtijdig school te verlaten. Ook de ongelijkheid tussen jongeren uit een arm of een rijk gezin in ontwikkelingslanden is groot: 21,9 procent van kinderen uit arme gezinnen gaat niet naar school ten opzichte van maar 5,5 procent van kinderen uit de rijkste gezinnen. Daarnaast blijkt dat kinderen met een beperking vaker niet naar school gaan: in India gaat bijvoorbeeld een derde van de kinderen (6-13 jaar) met een beperking niet naar school.

In 2015 kunnen nog steeds wereldwijd 103 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar niet tot beperkt lezen en schrijven. De meesten van deze jongeren wonen in sub-Sahara Afrika. De ongeletterdheid onder jongeren tussen de 15 en 24 is gedaald: kon in 1990 83 procent van de jongeren lezen en schrijven, geschat wordt dat in 2015 91 procent van de jongeren dit kan.

Conclusie

Er is wereldwijd grote vooruitgang geboekt als het gaat om toegang tot onderwijs. Toch zullen zowel universele basisschoolvoorzieningen als toegang tot voortgezet onderwijs hernieuwde aandacht vragen na 2015. Nog steeds teveel kinderen gaan niet naar school, of vallen vroegtijdig uit. Beleidsmaatregelen zouden zich specifiek moeten richten op kwetsbare groepen zoals meisjes, kinderen van minderheidsgroepen, kinderen met een beperking, kinderen die werken,  kinderen in conflictsituaties en kinderen die in sloppenwijken wonen. Daarnaast is het essentieel om te investeren in kwalitatief goed onderwijs en te zorgen voor een stabiele financiering voor onderwijs.

Onderwerpen

Leesbekwaamheid
Geletterdheid en kunnen rekenen
Kleuteronderwijs
Toegang tot verder onderwijs
ICT skills
Verschillen in toegang tot onderwijs
Onderwijs in duurzame ontwikkeling
Inclusieve en veilige scholen
Geld voor studiebeurzen
Gekwalificeerde docenten

Leerdoelen 

Cognitieve leerdoelstellingen

1. Begrijp de belangrijke rol van onderwijs en levenslang leren voor iedereen (formeel, niet-formeel en informeel leren) als belangrijkste aanjagers van duurzame ontwikkeling, voor het verbeteren van het leven van mensen en
bij het bereiken van de SDG's.
2. Begrijp onderwijs als een publiek goed, een algemeen goed, een fundamenteel mensenrecht en een basis voor het garanderen van de realisatie van andere rechten.
3. Weet dat er ongelijkheid in de toegang tot en het bereiken van onderwijs bestaat, met name tussen meisjes en jongens en op het platteland, en kent redenen voor een gebrek aan eerlijke toegang tot kwaliteitsonderwijs en mogelijkheden voor levenslang leren.
4. Begrijp de belangrijke rol van cultuur bij het bereiken van duurzaamheid.
5. Begrijp dat onderwijs kan helpen bij het creëren van een duurzamere, rechtvaardigere en vreedzamere wereld.

Socio-emotionele leerdoelen
 
1. Ben in staat om zich meer bewust te zijn van het belang van kwaliteitsonderwijs voor iedereen, een humanistische en holistische benadering van onderwijs, ESD en aanverwante benaderingen.
2. Kan via participatieve methoden anderen motiveren en empoweren om onderwijskansen te vragen en te gebruiken.
3. Kan de intrinsieke waarde van het onderwijs erkennen en zijn eigen leerbehoeften analyseren en identificeren in zijn persoonlijke ontwikkeling.
4. Kan het belang van zijn eigen vaardigheden voor het verbeteren van zijn leven erkennen, in het bijzonder voor werk en ondernemerschap.
5. Ben in staat om persoonlijk met ESD om te gaan.

Gedragsdoelstellingen

1. Kan bijdragen aan het faciliteren en implementeren van kwaliteitseducatie voor iedereen, ESD en aanverwante benaderingen op verschillende niveaus.
2. Ben in staat om gendergelijkheid in het onderwijs te bevorderen.
3. Ben in staat publiek te eisen en te ondersteunen bij de ontwikkeling van beleid ter bevordering van gratis, rechtvaardig en kwalitatief hoogstaand onderwijs voor iedereen, ESD en aanverwante benaderingen, alsook gericht op veilige, toegankelijke en inclusieve onderwijsfaciliteiten.
4. Kan de empowerment van jongeren bevorderen.
5. Ben in staat om gedurende zijn hele leven alle kansen voor zijn eigen onderwijs te benutten en de opgedane kennis toe te passen in alledaagse situaties om duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Voorgestelde onderwerpen 

Onderwijs als een publiek goed, een wereldwijd gemeenschappelijk goed, een fundamenteel mensenrecht en een basis om de realisatie van andere rechten te waarborgen
De Education 2030-agenda en innovatieve en succesvolle case-studies van over de hele wereld
De relevantie van inclusieve en rechtvaardige kwaliteitseducatie en mogelijkheden voor een leven lang leren voor iedereen (formeel, niet-formeel en informeel leren, inclusief het gebruik van ICT) en op alle niveaus voor het verbeteren van het leven van mensen en duurzame ontwikkeling
Redenen voor een gebrek aan toegang tot onderwijs (bijvoorbeeld armoede, conflicten, rampen, genderongelijkheid, gebrek aan publieke financiering van onderwijs, groeiende privatisering)
Globaal bereiken van geletterdheid, rekenvaardigheid en basisvaardigheden
Diversiteit en inclusief onderwijs
Basisvaardigheden en competenties die nodig zijn in de 21e eeuw
Kennis, waarden, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen
Het concept van onderwijs voor duurzame ontwikkeling (ESD), instelling van de hele instelling als een sleutelstrategie om het onderwijs voor duurzame ontwikkeling op te schalen, en pedagogie voor het ontwikkelen van duurzaamheidscompetenties
Empowerment van jongeren en empowerment van gemarginaliseerde groepen

Wat kan je mogelijk doen ? 

Ontwikkel partnerschappen tussen scholen, universiteiten en andere instellingen die onderwijs aanbieden in verschillende regio's van de wereld (Zuid en Noord, Zuid en Zuid)
Plan een kwaliteitsbewustmakingscampagne en voer deze uit
Voer een case study uit over het onderwijssysteem en de toegang tot het onderwijs (bijvoorbeeld inschrijving in het lager onderwijs) in geselecteerde gemeenschappen of landen
Plan en voer een ESD-project uit op een school of universiteit, of voor de lokale gemeenschap
Vier de UN World Youth Skills Day (15 juli), Internationale alfabetiseringsdag (8 september) of Wereldleraardsdag (5 oktober); of neem deel aan Global Action Week for Education
Organiseer ESD-dagen op lokaal, regionaal en nationaal niveau
Ontwikkel een op onderzoek gebaseerd project: "Wat is een duurzame school?"

Het donut-onderwijs model van Rob de Vrind 2018 

Goed onderwijs is onderwijs volgens het Donut education model.


Geïnspireerd op het model van de donut economie van Kate Raworth en het model van Arjen Wals en Heleetje Swart spreekt Rob de Vrind van het Donut onderwijs model. Het donut onderwijsmodel zegt dat goed onderwijs, dat Leren voor duurzame ontwikkeling prima is mits het aandacht besteedt aan klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit, water-bodem-luchtverontreiniging, fijn stof, aantasting van de ozonlaag, ontbossing, de N-P kringloop, de verzuring en leegvissing van de oceanen en chemische verontreiniging (ook door plastics). Dat is het ecologisch plafond.

Goed onderwijs zorgt er voor dat jongeren (en ouderen) een gedegen basis krijgen en leren over energie, materialen, voeding en voedsel, water, gezondheid, inkomen, banen, sociale geljkheid, gendergelijkheid, een stem hebben (democratie) en weerstand opbouwen; de sociale basis.   

Dat doe je door te kijken naar het curriculum, de didactiek, de bedrijfsvoering van de school, het verkrijgen van deskundige docenten en door samen met de omgeving (de overheid en het bedrijfsleven) het onderwijs voor duurzame ontwikkeling vorm te geven.

Hierin staat de leerling centraal. De leerling met zijn of haar sociale en culturele achtergrond, de leerling in de groep, de klas de maatschappij en de leerling met zijn of haar unieke eigenschappen en talenten.   

Rob2

Zoals Kate Raworth zegt dat je op economisch gebied mag snoepen van de donut mits je rekening houdt met het ecologisch plafond en de sociale basis, zo mag je op onderwijsgebied snoepen aan de donut mits je hetzelfde doet. Goed onderwijs heeft oog voor de sociale basis en het ecologisch plafond. Dat zou de invulling moeten zijn van SDG 4 "Good Education" (naast het feit dat op de wereld iedereen recht heeft op onderwijs en we er voor moeten zorgen dat iedereen dan ook naar school kan).   

Rob7

 Subdoelen

4.1 Er tegen 2030 voor zorgen dat alle meisjes en jongens op een vrije, billijke en kwalitatief hoogstaande manier lager en middelbaar onderwijs kunnen afwerken, wat moet kunnen leiden tot relevante en doeltreffende leerresultaten.

4.2 Er tegen 2030 voor zorgen dat alle meisjes en jongens in hun vroege kindertijd toegang hebben tot een kwalitatieve ontwikkeling, zorg en opvoeding voorafgaand aan de lagere school zodat ze klaar zijn voor het basisonderwijs.

4.3 Tegen 2030 gelijke toegang garanderen voor alle vrouwen en mannen tot betaalbaar en kwaliteitsvol technisch, beroeps- en hoger onderwijs, met inbegrip van de universiteit.

4.4 Tegen 2030 het aantal jongeren en volwassenen met relevante vaardigheden, met inbegrip van technische en beroepsvaardigheden, voor tewerkstelling, degelijke jobs en ondernemerschap aanzienlijk opdrijven.

4.5 Tegen 2030 genderongelijkheden wegwerken in het onderwijs en zorgen voor gelijke toegang tot alle niveaus inzake onderwijs en beroepsopleiding voor de kwetsbaren, met inbegrip van mensen met een handicap, inheemse bevolkingen en kinderen in kwetsbare situaties.

4.6 Er tegen 2030 voor zorgen dat alle jongeren en een groot aantal volwassenen, zowel mannen als vrouwen, geletterd en rekenvaardig zijn.

4.7 Er tegen 2030 voor zorgen dat alle leerlingen kennis en vaardigheden verwerven die nodig zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen, onder andere via vorming omtrent duurzame ontwikkeling en duurzame levenswijzen, mensenrechten, gendergelijkheid, de bevordering van een cultuur van vrede en geweldloosheid, wereldburgerschap en de waardering van culturele diversiteit en van de bijdrage van de cultuur tot de duurzame ontwikkeling.

4.a Bouwen en verbeteren van onderwijsfaciliteiten die aandacht hebben voor kinderen, mensen met een beperking en gendergelijkheid en die een veilige, geweldloze, inclusieve en doeltreffende leeromgeving bieden voor iedereen.

4.b Tegen 2020 het aantal studiebeurzen wereldwijd en substantieel verhogen dat beschikbaar is voor ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minst ontwikkelde landen, de kleine eilandstaten en de Afrikaanse landen, voor toegang tot het hoger onderwijs, met inbegrip van beroepsopleiding en programma’s omtrent informatie en communicatietechnologie, techniek, ingenieurswezen en wetenschappen, in ontwikkelde landen en andere ontwikkelingslanden.

4.c Tegen 2030 op aanzienlijke wijze de toevloed verhogen van gekwalificeerde leraren, ook via internationale samenwerking voor lerarenopleidingen in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten.

In Nederland en in 2019

SDG 4 betreft goed onderwijs voor iedereen. Onderwijs gaat dwars door alle levensfasen heen, van voorschoolse educatie (SDG 4.2) tot ‘een leven lang leren’ (SDG 4.3). Vaardigheden van leerlingen (SDG 4.1) en de bevolking (SDG 4.6) kunnen worden gerelateerd aan de kwaliteit van het onderwijs. Ook voorziet onderwijs de huidige en toekomstige werkenden van vaardigheden die nodig zijn om te werken in een kennisintensieve omgeving (SDG 4.4).

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang en betaalbaarheid van onderwijs. De overheidsuitgaven aan het onderwijs als percentage van het bbp dalen trendmatig. Nederland staat momenteel binnen de EU in de middenmoot. Het aantal gewerkte uren in het onderwijs per inwoner is trendmatig stabiel, maar Europees gezien is sprake van een daling van de Nederlandse positie.

Gebruik heeft betrekking op de participatie in het onderwijs. De deelname aan onderwijs van kinderen vanaf 4 jaar tot het begin van de leerplichtige leeftijd bedroeg in 2017 97,6 procent. Nederland staat op de zesde plaats binnen de EU. Tijdens de schoolloopbaan valt 7,4 procent van de jongeren voortijdig uit het onderwijs. Het beleidsdoel van minder dan 8 procent schooluitval in 2020 is hiermee al bereikt (Ministerie van Economische Zaken, 2017a).noot1 De deelname aan ‘leven lang leren’ neemt trendmatig toe en kwam in 2018 uit op 19,5 procent. Hiermee is de Nederlandse doelstelling van 20 procent in 2020 bijna gehaald (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018a). Binnen de EU neemt Nederland op dit punt een vierde positie in.

Uitkomsten betreffen het bereikte opleidingsniveau en het niveau van specifieke vaardigheden. Het beleidsdoel van meer dan 40 procent tertiair of hoger opgeleiden onder de 30- tot 35‑jarigen in 2020 was in 2018 met 49,2 procent al behaald (Ministerie van Economische Zaken, 2017a; Europese Commissie, 2010). Voor de bevolking 25 tot 65 jaar was dit percentage 38,1 in 2018. De trends zijn bij beide leeftijdsgroepen opwaarts. Het aandeel middelbaaropgeleiden, waaronder mensen met een praktijkonderwijsdiploma, is stabiel gebleven. De toetsen van de onderwijsinspectie (voor leerlingen in groep 8) en de PIAAC-toetsen (16- tot 66‑jarigen) geven een goede indicatie van opgedane vaardigheden.noot2 Voor wiskunde en leesvaardigheid scoren Nederlandse jongeren hoog. Beide scores zijn lager dan de resultaten uit 2012. De Nederlandse bevolking van 15 tot 66 jaar is zeer vaardig in taal en rekenen, gezien de hoge internationale positie. Voor een kennisintensieve economie zijn digitale vaardigheden onmisbaar. Ook hier scoort Nederland zeer hoog: tweede van 27 EU-landen in 2017.

Beleving gaat over hoe mensen onderwijs en opleidingskansen ervaren. Van de volwassen bevolking was 81,5 procent in 2018 (zeer) tevreden met de opleidingskansen in Nederland. Deze tevredenheid is trendmatig toegenomen.

4 1 2019

4 2

5 2019

 

 

%MCEPASTEBIN%