Deep ecology en deep economy

Sessions en Devall hebben een schema opgesteld om het verschil tussen de gangbare kijk op de wereld en diepgaande ecologie is weergegeven.

Overheersende kijk op de wereld

Diepgaande ecologie

Overheersing van de natuur

Goede verstandhouding met de natuur

Natuurlijke omgeving dient als bron voor mensen

Alles in de natuur heeft intrinsieke waarde        Gelijkwaardigheid van levenssoorten

Groei van goederengebruik en economie voor de groeiende mensheid

Eenvoudige goederen behoefte. Materiele doelen dienen  het grotere doel van zelfbewustwording

Geloof in overvloedige natuurlijke hulpbronnen

Aardse voorraden zijn beperkt

Sterke technologische vooruitgang en oplossingen

Bruikbare technologie; niet overheersende wetenschap

Behartiging van consumentenbelangen

Genoeg is genoeg / Hergebruik

Nationale/centrale gemeenschap

Minderheid traditie / levensgebied

Arne Naess vat diepgaande ecologie samen in de volgende punten:

  1. Welzijn en tot bloei komen van menselijk en andersoortig leven op aarde hebben waarde in zichzelf. Deze waarden zijn onafhankelijk van de bruikbaarheid van de niet menselijke gemeenschap voor menselijke doeleinden.
  2. Rijkdom en verscheidenheid aan levensvormen dragen bij aan het bewerkstelligen van deze waarden en zijn ook waarden op zichzelf.
  3. Mensen hebben niet het recht deze rijkdom en verscheidenheid te verkleinen, behalve om levensnoodzaken te vervullen. (Deze laatste toevoeging doet de vertaler aan zekere toevoegingen aan de tien geboden in animal farm denken. LM)
  4. Bloei van menselijk leven en culturen valt te combineren met een wezenlijke vermindering van de menselijke bevolking. Bloei van ander dan menselijk leven eist zon vermindering.
  5. De huidige verstoring door mensen van de niet menselijke wereld is buitensporig en de toestand verslechtert snel.
  6. Verscheidene soorten beleid moeten daarom worden gewijzigd. Deze soorten beleid bevloeden de grondslagen van economische, technologische en ideologische structuren. De uiteindelijke stand van zaken verschilt sterk van de huidige toestand.
  7. De ideologische verandering bestaat hoofdzakelijk uit waarderen van kwaliteit van leven in plaats van een hogere levensstandaard. Er komt een goed inzicht in het verschil tussen groot en tof (vrij naar PvdW, LM).
  1. Wie het voorgaande onderschrijft heeft de verplichting direct of indirect te werken aan implementatie van de noodzakelijke wijzigingen.
     

Daly and Cobb proberen in hun boek aan te geven hoe de economie veranderd moet worden om de gemeenschap, de omgeving en een verdedigbare toekomst te realiseren..

De balans tussen geven en ontvangen is verloren: de aarde geeft delfstoffen en energie maar krijgt alleen vervuild afval terug. Deze ontwikkeling loopt parallel met de exploitatie van arbeid, met name het gebruik van arbeid in de lage-lonen landen. Recentelijk zijn exploiterende activiteiten verplaatst naar arme landen. Goedkope arbeid is niet beschikbaar in de legale circuits van Westerse gemeenschappen, waar vakbonden succesvol zijn gevestigd als een deel van het democratische politiek systeem. Bij de illegale circuits in het Westen en in de arme, niet-westerse landen wordt dan voor goedkope arbeid aangeklopt. Een zelfde situatie heeft zich ontwikkeld op het milieufront: exploitatie gebeurt illegaal in de Westerse landen en is wijdverbreid in de arme landen, waar wetten zwak zijn. Met de export van de exploitatie naar armere landen isoleren de rijke Westerse landen zich in een wolk van vals mondiaal welbehagen.

De economie vereist daarom deugdzame mensen in de vorm van geef en u zal gegeven worden en behandel de ander zoals u behandeld wenst te worden, opdat je via het koopje dat je de ander aanbiedt een veel groter deel van dergelijke goede diensten terugkrijgt. We spreken onszelf niet op onze menselijkheid aan, maar op zelfliefde en spreken nooit tegen de ander over onze benodigdheden, maar over hun voordelen. Het is hierbij een belangrijke voorwaarde dat wij onszelf door de ogen van een ander moeten leren zien.

Waarden geven handelsprocessen grond van vertrouwen, een vitale conditie voor de eigenlijke taak van de markt, het schenken van rijkdom en bereiken van wereldwijd welzijn. Maar mensen die niet samenwerken verwonden zichzelf en het systeem.

Een van gevolgen van die moderne economie is het lijden van de ander

Banken hebben een truc bedacht om rijkdom die vergaat om te zetten in schuld die blijft. Dat levert steeds rente. Aldus leeft tenslotte iedereen van de rente van de gezamenlijke schuld; een echt perpetuum mobile. De conclusie van Daly en Cobb is dan ook dat de werkelijke uitlener de gemeenschap is. Uiteindelijk is dan bijmaken van geld makkelijker en sneller dan maken van nieuwe werkelijke rijkdom. Het bestaan van het grootste deel van ons geld hangt af van het feit dat deze schuld nooit wordt ingevorderd en voortdurend voortrolt.

Deze gang van zaken zou tot staan gebracht moeten worden. Belet onbeperkte groei van geld door samengestelde rente in te perken en verhinder de goocheltruc waarbij geld wordt gemaakt uit niets en dan vernietigd.

We leven steeds in het spanningsveld waarin we enerzijds de persoonlijke vrijheid nemen om de aarde te exploiteren en er anderzijds de algemene noodzaak bestaat de bronnen van de aarde te beschermen t.b.v een duurzaam leven.

Freud identificeerde de mens als een wezen dat gedomineerd wordt door verborgen passies en wensen. Freund ontdekte Eros (seks) en Thanatos (dood) als originele begeerten of fundamentele instincten. Zijn ontdekkingen stelden ons in staat agressie en de aandrang om te vernietigen te verklaren. De geneigdheid om te verbeteren, te verdedigen of door te gaan met het eigen leven sluit geweld tegen de ander in, en dit fenomeen wordt gemakkelijk aangereikt op het niveau van de volksstam, de groep, of de gemeenschap.

Om de relatie van geweld, vernietiging, en schepping naar het veld van deep economy te vertalen, kunnen we zeggen dat geweld tegen de natuur en menselijk leven helpt bij het scheppen van geld en uiteindelijk natuur en leven vernietigt. Aangezien het scheppen van geld leidt tot een doorgaand proces van productie en ruil, is er geen grens aan de uitbuiting en vervuiling van de natuurlijke omgeving.

Het evenwicht tussen leven en dood is ons grootste milieuprobleem. De aarde sterft omdat de voorwaarden voor leven systematisch worden ondermijnd. En wanneer we deze ontwikkelingsgang kwalificeren in termen van spanwijdte ten aanzien van het leven op aarde, liever dan in termen van de spanwijdte van het menselijk leven, dan heeft significante milieuschade in een alarmerend snel tempo plaatsgevonden.

Toch kon niets de wandaad van de verwoesting voorzien; de huidige schaal van vernietiging kon een generatie geleden niet worden voorgesteld.

Leef op kosten van is de huidig werkende grondregel. Dit is niet alleen maar de egocentrische houding van de blasbourgeois (de ongevoelige, zelfvoldane burger); het is een structuur geworden.

De Westerse houdding en het Westerse systeem  zijn gefocust op onverzettelijk houden en handhaving, alhoewel het Westen tegelijkertijd grootschalige vernietiging uitvoert. Het lijkt dat handhaving zich afspeelt op een welbewust en bereidwillig niveau, en vernietiging op een onbewust geautoriseerd niveau. Het welbewuste niveau dient het rijke en machtige eigen welzijn van het individu; het onbewuste niveau is de vernietiging van de ander tot dienst.

De individuele dood is gescheiden van de algemene sterfelijkheid van de natuur als geheel. Als het besef van kameraadschappelijkheid van het lot achteruitgaat, wordt sterfelijkheid emotioneel ervaren als een privzaak.

Het vernielt het fundamentele gevoel van verbinding met anderen en met de natuur. De consequentie is dat verbinding en agressie, liefde en haat gelijkwaardig worden. Sociale individualisatie stimuleert de perceptie van de ander (mensen en natuur) als een bedreiging van ons eigen welzijn. De gevaren die door de ander worden vertegenwoordigd, worden op twee manieren afgeweerd: isolement van invloeden van buitenaf en het gebruik van de ander voor persoonlijk voordeel.

Elke maatregel met zelfs het stilzwijgende vermogen de economie te verzwakken wordt vermeden, zelfs als de prijs milieuschade of aantastingen van de mensenrechten zijn. Vermijding is dwingend voor het welzijn van het economisch systeem. In een competitieve maatschappij moet de verkoopprijs zo laag mogelijk zijn. Dit is de aard van een vrije markt economie. De noodzaak om de productiekosten laag te houden volgt logisch dit principe.

Het startpunt kunnen zijn om zich te bevrijden uit de zelfgecrerde, zelfverminkte waarborgen van Westerse beschaving. Mensen beschermen zichzelf door de natuur te vernielen. Verlichting betekent samenwerking en lotsverbondenheid in het bewerkstelligen van het menselijke en ecologische belang wat betreft het herstellen van het evenwicht tussen rijk en arm en tussen leven en dood.

De kwaliteit van leven wordt meer en meer gegrond op nieuwe producten, mode en geschikte aanwinsten in het algemeen. Kwaliteit wordt gelijk aan de middelen om begeerlijke producten, technologie en bijzonderesthetische zaken te verkrijgen.

Daarnaast is het kenmerkend om te ontkennen, wat men niet wil zien, zoals armoede, ziekte, ouderdom en dood. Mensen zijn geneigd alleen de plezierige kant van het leven te erkennen. En zij plaatsen zichzelf alleen aan die zijde. De donkere, slechte, vuile kant wordt niet erkend. Als ze kunnen, ontkennen zij het bestaan hiervan helemaal.

Deze ontkenning is van grote invloed op het terrein van politiek en economie. In het tijdperk van de alleenheersers, werd de koning beschouwd als de vertegenwoordiger van God. Vandaar dat het hoogst irrelevant was, wiens rug de last droeg. In  een economisch gecontroleerde cultuur wordt het product getoond, aanbevolen en verhandeld. Mensen weten hoe ze rechtstreeks kunnen deelnemen aan dit proces, maar ze weten niet, hoe ze zich moeten richten op het feit, dat de consequenties van productie en consumptie sociale en economische problemen zijn. De meeste mensen geven er de voorkeur aan deze problemen te ontkennen, te negeren en te vergeten.

Als gevolg van de economische situatie in de tegenwoordige wereld, zijn de rijke landen er heel tevreden mee om de arme landen te laten verkommeren zolang hun neergang niet wordt gehoord of gezien. De struisvogelpolitiek kan echter het feit niet uitvlakken, dat onze esthetische houding vastzit aan de diep-economische relaties in de wereld.

Onze ethische houding t.o.v. het leven wordt voortdurend aangewakkerd door onze massaproducerende, consumerende, door media overvoerde maatschappij. In onze wereldhandel en transportsysteem kan het boeiende object letterlijk overal vandaan komen. Aangenomen, dat er geld genoeg is, is het vermogen tot bezit onbegrensd. Dit betekent dat iedereen in de loop van de tijd geboeid raakt en voortgaat een band aan te gaan met het gebodene, op zijn minst in zijn verbeelding.

De begeerte te bezitten en zich te verbinden met het begeerde object is verpletterend in de moderne maatschappij.

Westerse machtsstructuren en ideologie hebben vaste voet gekregen in de wereld. Derdewereldlanden hebben niet de middelen om de rente voor de crediteur op te brengen. Vaak komt nieuwe rente boven op de onbetaalde rente het wordt totaal onmogelijk nog af te lossen. Het land,dat in de benadeelde positie verkeert, is nu gedwongen kredietwaardigheid te bewijzen voor de toekomst om de uiterst noodzakelijke crediteuren aan te trekken. Het Derde Wereldland neemt zijn toevlucht tot het zweren van eeuwige trouw aan de machtsstructuren van de Eerste Wereld en ondersteuning van hun ideologie. Vaak ziet de crediteur dit als voldoende kredietwaardigheid voor zijn eigen doeleinden.

Als eenmaal de arme staat zich loyaal verklaard heeft aan de wetten van het economische systeem, vestigt de crediteur zich in het armer land. Het arme land aanvaardt het gebruik van ecologisch vernietigende en uitputtende activiteiten met het doel in leven te blijven. De vernietiging van de regenwouden is het meest bekende voorbeeld. De machtspositie die staten en banken bijeenhoudt is van het grootst mogelijk belang. Zowel Het Internationaal Monetair Fonds als de Wereldbank worden bestuurd door de rijke landen, maar uiteindelijk komt het terug in de handen van de rijken als overwaarde.

Maar als we de milieuethiek, die steeds meer door ons volk geaccepteerd wordt, integreren, beginnen we de basis te vormen voor een verlichte gemeenschap, die bereid is te werken aan verandering.

De kritische aard van milieuethiek wordt bevestigd als aan twee voorwaarden wordt voldaan: 1. mensen moeten willen veranderen, 2. economische schuld kan niet worden gescheiden van juridische, morele en religieuze schuld.

De Verenigde Staten zijn zowel een grote crediteur als de grootste debiteur van de wereld. Dit is mogelijk omdat schuld abstracte overeenkomsten betreft, waarin de geldbedragen slechts symbolen zijn, tenminste tot iemand moet betalen. Dan moeten hemel en aarde worden bewogen - letterlijk - om de natuur zijn verzoenende taak te laten volbrengen. De impliciete waarde van de natuur moet expliciet gemaakt worden; natuur moet geld opbrengen. Rijke staten hebben een opbrengstvoordeel boven arme staten. Dit is toe te schrijven aan de technische middelen om te plunderen en uit te buiten - middelen waardoor een land kredietwaardig en zo betrekkelijk rijk wordt. Alleen de bereidheid om mensen en natuur uit te buiten zal voorzien in duurzame kredietwaardigheid.

De verplichting te betalen zet mensen vast. Zelfs als ze anders zouden willen handelen, zouden ze dat niet kunnen, omdat het hun kredietwaardigheid zou verminderen. Zij verkopen hun vrijheid door aan de laatste economische waarheid te voldoen.

In ons tijdperk heeft de geldeconomie de centrale leiding. Het gaat om macht en welvaart. De mens die de macht heeft beheerst andere menen en de natuur.

Nu is er altijd een associatie geweest tussen vrouwen en natuur, natuur als een voedende moeder, natuur als een organisme dat gerelateerd is aan een ideale maatschappij.. Mannelijke dominantie over vrouwen en natuur is toegenomen met de bloei van een mechanistische wereldbeschouwing. Omdat vrouwen dichter bij de natuur zien leven, worden zij als mindere wezens behandeld door de mannen.

Filosofe Merchant pleit voor samenwerking tussen de milieubeweging en de vrouwenbeweging teneinde nieuwe sociale stijlen te scheppen. Naar haar mening moeten andere economische prioriteiten worden vastgesteld. Die dienen uit te gaan van lichamelijke eenheid en differentiatie. Alles heeft een onderlinge verhouding en afhankelijkheid met elkaar maar verschillen mogen er wezen. De erkenning van verschillend zijn is uitermate belangrijk. De juiste relatie tussen eenheid en onderscheid is dringend nodig.

Moderne Westerse Visie                                        Nieuwe sociale stijl

Ik moet mijzelf bevrijden.                                     

Ik ben bevrijd en dus vrij.

 

Mijn positie is delicaat; de ander moet me uit vrije wil of kracht helpen.

De positie van de ander is delicaat: Ik moet de ander helpen. De ander helpt mij om een morele bemiddelaar te zijn

Om vrij te zijn heb ik middelen nodig om de ander te bevelen.

De ander is behoeftig; ik moet de ander helpen vrij te worden

Het systeem belooft welvaart voor zijn individueel succesvolle leden.

Ik neem deel aan een gemeenschap van belofte en alle leden moeten de vruchten van de belofte ervaren.

De uiteindelijke situatie is de realisatie van de Amerikaanse droom voor het individu.

De uiteindelijke situatie is het paradijs: de verbondenheid van alle soorten zonder elkaar te consumeren.

Volgens Willem Hoogendijk moet er een brede, links en rechts verenigende of overstijgende, sociaal-culturele beweging voor leven, overleven en samenleven komen. Zoals bij nationalisten gebruikelijk wil hij een einde maken aan elke onderlinge strijd. Er moeten nieuwe leiders ontstaan die weten wat iedereen wil. "Ik zou me een systeem kunnen voorstellen waarbij ik het volste vertrouwen heb in de bestuurders (soort verlichte sjamanen, wijze opperhoofden) en dan maar al te graag het bestuur aan hen overlaat", aldus Hoogendijk. "Maar die leiders moeten wel altijd gecorrigeerd kunnen blijven". In bijna alle partijen zitten puike mensen mits we niet polariseren. Hij propageert: Maak goederen zoveel mogelijk in eigen land, en, vooral, houd de financiering nationaal. Het belangrijkste is dat "de gezamenlijke bevolking" een einde moet maken aan het "uit de hand gelopen, alles en iedereen aan zich onderwerpend geldsysteem". Wanneer Nederland dan eenmaal een "kalme eigen geldcirculatie" heeft verkregen kan "concurrentie haar goede daden blijven verrichten". We moeten af van het "doorgeslagen idee over de vrije burger, de vrije ondernemer", en toe naar een "herstel" van het "evenwicht individu-collectiviteit". Vandaar dat het aanzien van de overheden hersteld moet worden.

 Willem Hoogendijk schreef over de rol van geld en de groei-economie het volgende:

De relatie van geld en productie wordt meestal bezien vanuit de onderneming. Die moet concurreren, dus uitbreiden of mechaniseren danwel automatiseren. Dus die heeft extra geld nodig. Dat probeert hij te verkrijgen met een lening van de bank, onderhands, met geld van vennoten of met aandelen. Als het bedrijf perspectief heeft zal dat wel lukken. De rente, die de ondernemer moet betalen, wordt gezien als 'voorschot op toekomstige productie of omzet'. Hij/zij gaat immers meer produceren of omzetten.

Wat we vanuit de geldpositie zien, is dat binnenkomend geld (rente, dividend, e.a.) voor een deel geconsumeerd wordt: de geldschieter of spaarder koopt er dingen voor of gaat ervan met vakantie. Maar voor een heel groot deel wordt het geld meteen weer gevesteerd of uitgeleend. Banken en fondsen consumeren niet en rijke mensen consumeren maar weinig, ze hebben alles al. Dat zorgt in de markt weer voor nieuwe bedrijvigheid: productie of omzet. Geld zoekt een uitweg, zoekt een besteding; het moet immers groeien. Dat aanbod van geld vindt de vraag naar geld van de kant van de ondernemers die in de concurrentie steeds maar meer moeten groeien, moeten uitbreiden, moderniseren, automatiseren, e.d.

Op de markt in zijn oorspronkelijke betekenis van ontmoetingsplaats van producenten en consumenten, waar behoeften en bevredigingsmiddelen in elkaar opgingen, de lokale markt, functioneerde - als betaalmiddel, pasmiddel en rekeneenheid. Het vergemakkelijkt de overdracht. Het zorgt ervoor dat het economisch verkeer op rolletjes gaat. Het is het rollende geld. Het kleine geld van de kleine bezitter, van de echte producent en de echte consument.

In de grote markt is geld steeds op zoek naar nieuwe bedrijvigheid: productie of omzet. Geld zoekt een uitweg, zoekt een besteding; het moet immers groeien. Dat aanbod van geld vindt de vraag naar geld van de kant van de ondernemers, die in de concurrentie steeds maar meer moeten groeien, moeten uitbreiden, moderniseren, automatiseren, e.d. of het koopt onroerend goed of andere waarden, aldus de prijs daarvan verhogend en in de verwachting er een goed rendement uit te halen. (De verkoper doet dan weer andere dingen met dat geld, dat immers circuleert. Zo kan het weer snel in de productie komen.) Geld zoekt de hoogste opbrengst. Als het 12% kan krijgen, gaat het niet ergens anders genoegen nemen met 10%. (N.b.: De geldschieters kijken natuurlijk naar een combinatie van opbrengsthoogte en zekerheid. Zekerheid speelt ook een rol.)

De officie economie leert dat het de productiekant, de ree bedrijvigheid is die uit zichzelf groeit. Behoeftegroei, concurrentie en de daarmee verbonden technologische vernieuwing zijn de grote stimulansen voor groei. Geld is daarbij slechts volgend - niet meer dan een smeermiddel in de motor van de groei.

Wel nu. Het is mijn ketterij, mijn heiligschennis, dat ik beweer dat het systeem van geld-moet-groeien ook een voorname. wellicht de voornaamste rol speelt als aandrijver van de groei. Geld ook als brandstof dus. Ja wellicht zelfs als gaspedaal.

Meer dan n factor spelen vaak in situaties een rol. Mensen zijn meestal gericht op n factor. Of zij zien niet dat in een bepaalde ontwikkeling een gevolg tot oorzaak wordt. Vandaar eindeloos vruchteloze discussies. Wie is oorzaak de kip of het ei? Is de kip het gevolg van het ei? Geld volgt en/of drijft aan - misschien is allebei waar; misschien is de ene factor zwaarder (geworden) dan de andere. Laten we dat nader bekijken.

Natuurlijk heeft, zoals gezegd, een ondernemer, om overeind te blijven in de concurrentie, extra geld nodig. Hij/zij 'verdient' dat met extra bedrijvigheid, met extra inspanning. Of met meer winst uit dezelfde bedrijvigheid. (Lagere lonen, lagere prijzen voor grondstoffen, langere werktijden, snellere machines, hogere verkoopprijzen, e.d.) Hij/zij zal ook zoveel mogelijk een eigen reserve opbouwen. Geld volgt zo inderdaad. Geld van buiten kost geld, dus extra inspanning, extra winst. Eigen geld gebruiken is iets goedkoper, maar het moet toch ook 'lonen', d.w.z. minstens evenveel opbrengen als bij de spaarbank of waar je het hebt ondergebracht.

Dat externe geld, van zijn kant, zoekt beleggingsmogelijkheid. Als die er niet is, blijft de bank, het fonds of de rijke persoon er mee zitten. Dan kan het geld onder de matras. Dus ook hier lijkt het weer: de productie, de bedrijvigheid is bepalend, het geld volgt. (NB: Er is in onze maatschappij overigens altijd wat te beleggen, te sparen of te kopen!)

Hoe zou je nu, als geld, kunnen zorgen dat je 't voor het zeggen krijgt en niet langer volgend bent? Mensen kunnen allerlei goederen en diensten produceren en die onderling ruilen. Daar hoeft geen geld aan te pas te komen. Of ze werken met bonnen als bewijs dat ze productie geleverd hebben en recht hebben op iets anders. Of ze werken met geld puur als ruilmiddel.

Geld moet dus ruilmiddel worden; maar dat is niet genoeg. Het moet het unieke ruilmiddel worden en andere ruilmiddelen uitsluiten. Het mag niet bederven of stukgaan (zoals vee of zout of schelpen). Dat is gebeurd met en markt. Op de grote markt heerst het geld, de geldswaarde. Dat is de officie economie geworden. Waarden en bedrijvigheid daarbuiten, zoals huishoudelijke arbeid, burendiensten, vriendenklussen, vrije goederen, e.d. tellen niet mee. En mensen zonder geld kunnen er niet terecht.

En verder moet geld over 'arbeid' heersen. Als wijkbewoners of dorpelingen activiteiten opzetten, zinvol gaan produceren, ruilen - kortom, onderling een stuk welvaart ontwikkelen, dan zou je denken dat dat gewaardeerd wordt, 'beloond' wordt met geld. maar dat gebeurt niet. Arbeid wordt alleen beloond als er overproductie plaatsvindt, die verkocht kan worden op 'de markt'. Alleen dan krijgen die mensen geld. Dus zomaar iets beginnen, kan niet. Je moet als ondernemer eerst geld hebben, dan kan je 'arbeid', gereedschap e.d. kopen en niet andersom. Als je niets hebt of kunt krijgen, moet je je werkkracht verhuren aan een bezitter van een productiemiddel.

Geld vraagt ook om verschillen, om kloven tussen standen, klassen, groepen mensen; tussen privbelangen en het algemene nut; tussen geldbezitters en geldlozen. Als iedereen over genoeg geld beschikt, valt er niks te heersen, valt er geen geldbeweging te maken van waar te veel geld is naar waar er een tekort aan is. Tenslotte moet geld als beloning voor zijn gebruik zichzelf nemen. Geld met als prijs dus ook weer geld. Wat een prachtige truc. Stukje macht; wie er gebruik van wil maken, van wil lenen, moet er iets aan toevoegen. Logisch nietwaar? De logica van het onlogische. Wie meer geld bezit dan hij kan of wil gebruiken, moet beloond worden voor het afzien-van-consumeren. (Is rechtvaardiging van rente). Wie aandelen in een bedrijf stopt moet eveneens beloond worden; hij/zij kan het immers kwijtraken.

Bij wie al veel geld heeft, of waar al heel veel bijeen is gebracht (fondsen e.d.) komt steeds meer bij (via rente en dividend), en iedereen vindt dat logisch. (Wie nu roept van "er is toch geldontwaarding" bedenke: komt dat niet door het geld-groei-systeem?!) Dat geld-uit-geld gaat weer naar nieuwe investeringen en beleggingen. Nieuwe fabrieken, moderniseringen, uitbreidingen; naar onroerend goed, buitenlandse valuta, goud, koffie- of peperoogsten, projectontwikkeling, consumptieve leningen; naar het ontginnen van nieuwe markten en producten, het creen van nieuwe behoeften, naar schilderijen van Van Gogh - wat niet al.

We hebben gezien dat in de loop van de geschiedenis aan al deze voorwaarden is voldaan:

- geld met als prijs zichzelf;
overheersing over arbeid, grondstoffen, land, machines;
-  je begint niets zonder geld;
-  een 'markt' waar 't geld en de geldswaarde (ruilwaarde) allesbepalend zijn;
- verschil tussen de have's en de have nots;
  
tussen teveel aan geld en te weinig aan geld.

De zeggenschap van de geldopeenhopingen in de economie, over de bedrijvigheid, neemt dus steeds meer toe; en de (democratische) overheid moet dat steeds maar weer corrigeren en verzachten, met wetgeving, belastingen, vergunningen, e.d. En steeds proberen wat centen er uit te halen voor bestedingen 'ten algemene nutte'. Vele factoren (geld-moet-groeien; meer mensen; meer behoeften; expansie; het technisch/wetenschappelijke complex; concurrentie; ondernemingslust; avontuur) hebben geleid tot een permanent groeisysteem. Daarin speelt geld een belangrijke, onmisbare rol, Waar geld niet circuleert, stagneert de economie, stagneert de bedrijvigheid (behalve daar waar de mensen onderling ruilen). Dus is geld algemeen gewaardeerd als smeermiddel.

Dat het daarbij ook nog eens als aandrijvend gaspedaal en brandstof fungeert (NB: Brandstof die ook nog eens terug vloeit in de brandstoftank! Het circuleert immers.) wordt daardoor minder duidelijk gezien. Bovendien is de hele maatschappij doordenkt geraakt van het geld-moet-groeien automatisme en -mechanisme. Ook de publieke fondsen en de openbare financi doen mee; moeten mee doen; rekenen er mee; rekenen er op. En de overheid zelf accumuleert ook flink wat geld. Er komt nog bij dat veel meer mensen dan vroeger een spaarcentje hebben. En dat geld ruim circuleert. Er wordt redelijk verdiend en flink geconsumeerd. Er zijn wel teveels en teweinigs; maar anderzijds hebben meer mensen dan vroeger, in ieder geval in de rijke landen, wat geld en toegang tot geld. Heb ik nu al voldoende duidelijk gemaakt dat geld-moet-groeien m.i. de productie aan- en opjaagt?

Het is een beetje zoals met de discussie: maken de fabrieken de dienst uit of de consument? Beide zijn waar, maar een van beide is meer waar, weegt zwaarder. Als de consument iets niet meer koopt, kan de fabriek van dat iets wel sluiten. Anderzijds is er reclame en behoefteschepping van heb ik jou daar. Dus de consument wordt bevloed, gemanipuleerd en opgejut. Zo is het ook met de kwestie van geldsysteem en productiegroei. Echter, er moet aan nog een voorwaarde worden voldaan, denk ik. Namelijk een algeheel en algemeen groeisysteem moet er gevestigd zijn. Concurrentie kan immers ook in een stabiel systeem bestaan. Er moet echter voortdurend druk op de concurrentieketel zijn; het moet allemaal voortdurend groeien; intensiever worden, sneller, verder, e.d. Dan heeft de productie voortdurend geld nodig. Dan komen de geldopbrengsten voortdurend weer terug in de productie.

De groei van de economie kan zijn:

- kwalitatief; leven verbeteren, verzorgen, onderhouden, behouden, duurzamer, doelmatiger (economisch in de ruimste betekenis, ecologisch, holistisch>.
-
kwantitatief; meer producten, meer omzet, meer verbruik, meer produceren dan nodig is (economisch in de enge betekenis, bedrijfseconomisch, winst maken>, meer verspilling, overproductie ten behoeve van 'de grote markt'.

Ons groeisysteem is vooral de tweede kant opgegaan. Die verspilling betreft:

- consumptiegoederen (in extreme vorm: wegwerp, eenmalig gebruik, steeds kleinere eenheden; leve de individualisering) - kapitaalgoederen (machines, gebouwen, technieken
-
de hele economische infrastructuur die steeds sneller moet veranderen;
- de militaire uitgaven, liefst met oorlogen en dus wapenvernietiging.

Nog een laatste voorwaarde: Er moet vrij gemakkelijk geld bijgemaakt kunnen worden. Wel nu, daaraan wordt vooral voldaan in de vorm van het 'moderne' bankkrediet. Op deze manier wordt de geldhoeveelheid enorm uitgebreid. (Zoals bekend moeten de banken een wettelijk dekkingspercentage aan meer geld aanhouden.) Aan alle voorwaarden voor geld-als-aandrijver is voldoende. Beter gezegd: het geld-groei-systeem heeft een deel ervan zelf geschapen, teweeggebracht We zien dus:

1. geld dat zich aanbiedt; zich met een flinke reclamedruk opdringt aan zowel consumenten als producenten.
2. een systeem van doorgroei en verspilling ('modernisering', 'dynamiek', 'wereldmarkt) dat permanent geld behoeft.
3. een 'geld-wolk' die boven de aarde, boven de productie, boven de ree economie hangt: al het 'vrije' geld dat nu eens dollars koopt, dan weer yens of marken. Nu eens onroerend goed, dan weer grondstoffen en oogsten. Nu eens goud, dan weer kunst, nu eens aandelen koopt, dan weer leningen verstrekt.
4. permanente geldontwaarding, ook een 'uitlaatklep' als het geheel van goederen en diensten de geldgroei niet kan bijhouden door natuurlijke beperkingen en hindernissen, afzetstoringen. Wat op zeker moment fl. 10.- kost, kost enige tijd later fl. 15.- Zo raken we ons extra geld wel kwijt.

Conclusie:

De behoefte van het bedrijfsleven aan geld, komt door de behoefte van geld aan bedrijvigheid (nl. om zich d.m.v. productie, afzet en consumptie te vermeerderen). Ik hoor ook wel eens een ander argument tegen mijn hypothese: Als een land, zeg Nederland, ten onder is gegaan (kernongeluk aan de Schelde bij zuidwesten wind, onverwachte broeikasoverstroming of iets anders leuks) dan is de gulden niets meer waard. Dus het - is niet zo bepalend, het volgt de productie. Productie weg; geld waardeloos. Antwoord: Dat is waar. Maar daarmee is nog niet weerlegd dat, als je productievermogen intact is en je economie dus draait, het geld behalve smeermiddel ook werkt als brandstof/gaspedaal. Een auto die in de berm kapot ligt, daarin is de brandstof nutteloos geworden. Maar op de weg met een lekker draaiende motor...............