|
De geschiedenis
van duurzaamheid
De eerste studies van betekenis over milieuwetenschap werden uitgevoerd in het
laatste kwart van de 18e eeuw. George Louis Leclerc publiceerde in 36 delen het
Historie Naturel (History of Nature) tussen 1749-1788. In die tijd was
de vernietigende rol van de mens nog niet bekend omdat de boeken zijn geschreven
in een tijdperk van voor de industrialisatie. In diezelfde tijd zag Thomas
Malthus (1766-1834) al wel de negetieve gevolgen van de ongecontrolleerde groei
van de bevolking en hij was pessimistisch over de toekomst. In het begin
van de 19e eeuw komen mensen tot
‘milieu determinisme’ waarin natuurlijke condities effectiever zijn in de
evolutie van levende wezens dan sociale determinanten. Charles Darwin
(1809-1882) kan vervolgens gezien worden als een mijlpaal in de
geschiedenis van het milieu (Pepper, 1996)
Hij zag dat het milieu de
kracht was die planten en dieren schiep en dat competitie tussen dieren de
overlevingskansen verbeterde. De evolutietheorie was geboren. Die stelt dat
planten en dieren bij toeval variaties krijgen maar dat de best aangepasten
overleven en dat dat de kracht is waardoor nieuwe soorten ontstaan. Uiteindelijk
is de strijd om het bestaan en de competitie tussen de best aangepasten de
drijfveer in de natuur. Het leidt tot systemen in een dynamisch evenwicht.
Hiermee was de transitie van (homocentrische) antropocentrische naar
ecocentrische benaderingen geboren.
Gedurende deze periode begon men
meer en meer in te zien dat de mens niet zo onschuldig was als men dacht.
Milieuproblemen werden juist veroorzaamt door de mens. B.v. George Perkins
Marsh benaderukte de destructive gevolgen van mensen op de natuur in 1850
In dezelfde periode ontwikkelde Haeckel (1866), die ongeveer
hetzelfde dacht als Darwin, het concept van “ecologie”. 
Wat we doen aan de ene kant van een ecosysteem kan
effecten hebben in andere delen.
Geinspireerd
door naturalisten als Thoreau (1817-1862)
en John Muir
(1838-1914), begon milieubewustzijn zich over de westerse
wereld te verspreiden. Er werden nationale parken uitgeroepen in
Australia, New Zeeland en Canada. In Engeland werden de eerste
natuurbehoudorganisaties opgericht zoals de ‘Royal Society for the Protection of
Birds’ (1893) en de ‘National Trust’ in 1894.
Leopold
(1887-1849) dacht dat in de wildernis spirituele plaatsen te zien en dat het
verlies van wildernis het verlies van spiritualiteit betekende. Hij leverde een
belangrijke bijdrage aan het idee dat “de mens niet de heerser is van het
universum, alleen van delen ervan” en hij bracht verbindingen tot stand met de
“ethiek” en de natuur-mens relatie. Hij vond dat we ons tot de natuur moesten
verhouden zoals we tot onze naasten verhouden. Vooral zijn beroemde artikel “The
land ethic”(1949) vormde de fundering voor ecocetrische benaderingen. Hij stelde
dat iets goed is als het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van een
biotische gemeenschap behoudt. Het is fout als het neigt naar iets anders.
(Leopold, 1949).
Binnen honderd
jaar was een klein aantal mensen er in geslaagd milieubewustzijn op te wekken
in de hele wereld. Maar tot de 1960iger jaren werd die bezorgheid niet omgezet
in georganiseerde bewegingen. Veel literatuur is het er over eens dat een
mijlpaal daarin was het boek van Rachel Carson’s, Silent Spring (Taylor, 2005).
Dit boek beschrijft de langzame maar absolute vergiftiging van het milieu door
pesticiden en met name DDT. De boodschap die de titel geeft is duidelijk. Ooit
komt er een lente zonder leven. Ze beschreef in detail hoe chemicalien als DDT
in de voedselketen terecht kwam en zich opstapelde in de vetten van dieren
inclusief de mens, resulterend in kanker. Ze werd bekritiseerd vanuit de
chemische industrie maar uit onderzoek bleek dat ze gelijk had. De wetenschap
bewees dat het milieu wordt beschadigd door de mens. Tot dan toe waren
milieuproblemen issues voor een kleine groep mensen. Door deze publicatie
begrepen mensen dat hun eigen leven op het spel stond en dat het niet langer
ontkend kon worden. Vandaar dat men kan zeggen dat de milieubeweging
geboren werd naar aanleiding van Rachel
Carson’s boek Silent Spring.
Vergelijkbaar beargumenteerde Garret Hardin in zijn boek “Tragedy of Commons”
dat je het milieu moet verzorgen als een vrije hoeveelheid goederen en
services. (Pepper 1996:5). In zijn artikel “Living in a Life Boat” (1974) stelt
hij dat het helpen van arme landen leidt tot een groei in de bevolking en
menselijk leed (Hardin, 1974). Paul Ehrlich (1968) waarschuwde dat als de
bevolkingsgroei niet onder controle komt we onvermijdelijk een ramp tegemoet
gaan in een parallel met de Malthusiaanse benadering.
Deze discussies waren
belangrijk en resulteerde uiteindelijk in de “Club van Rome”. Hun eerste rapport
“Limits to Growth” werd gepubliceerd in 1972 en het beschrijft de consequenties
van de uitputting van grondstoffen. Het rapport geeft verschillende scenario’s
door vijf variabelen te bekijken als technologie, bevolking, voeding,
natuurlijke hulpbronnen en energie. Er wordt gefocust op de beperktheid van de
natuur en haar bronnen in relatie tot de bevolkingsgroei en de
consumptiepatronen. Hoewel het boek heeftig werd bekritiseerd werd voor
het eerst gepubliceerd dat ontwikkeling in balans moet zijn met de eindigheid
van natuurlijke hulpbronnen.
Als
gevolg van de snelle toename van milieuproblemen en de impact van het boek van
de Club van Rome werd er in 1972 in Stockholm een bijeenkomst georganiseerd
genaamd “the United Nations Conference on Human Environment”. Het
was het eerste event waarin het milieu het belangrijkste issue was op
international niveau. Het bracht zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden bij
elkaar omdat men begon in te zien dat en behoefte bestond aan een
gemeenschappelijke visie en gemeenschappelijke principes die de mensheid
inspireert en richting geeft in het behoud en verbetering van het menselijk
milieu. Internationale samenwerking was ook nodig om middelen te creëren die
ontwikkelingslanden nodig hebben om hun verantwoordelijkheid op dit gebied te
kunnen nemen. De Conferentie roept alle regeringen en mensen op om
gemeenschappelijke inspanningen te leveren om het menselijk milieu te behouden
en te verbeteren.
Met
het opzetten van niet-gouvernementele organisaties
speciaal voor milieu items ontstond een de milieubeweging. Ze begon haar eigen
probleemgebied te definieren. Sinds die tijd beamen grote groepen mensen in
verschillende posities en in verschillende landen dat milieubescherming en
-verbetering, en het voorkomen van milieuproblemen alsmede de waarde van de
natuur van belang is. In de jaren 60 bestond er grote bezorgdheid over
kernwapens en kernenergie. Hieruit kwamen groepen voort als
Greenpeace en Friends of Earth die radicaal waren. Ze
voerden direct actie tegen milieuvernietiging. Mede hierdoor is de
publieke opinie en het milieubewustzijn onder de mensheid vergroot.
Vervolgens ontstonden er
groene politieke partijen die het ecocentrisme in de politiek brachten.
Zelfs kwamen dergelijke partijen in de regering zoals de Rood-Groene coalitie in
Duistland. Tegelijkertijd begonnen humanisten, radicalen, anarchisten e.d.
verschillend tegen het milieu aan te kijken (Tekeli 2000:3). In Nederland kwam
in 2009 zelf de Partij voor de Dieren in het parlement. De partij kreeg daarvoor
genoeg stemmen en ze kwam op voor het welzijn van dieren in bio-industrien en
laboratoria.
In de zeventiger jaren heerste
een wijd verspreid geloof dat milieuproblemen werden veroorzaakt door
wetenschappelijke en technologische vooruitgang. In de tachtiger jaren kwam het
besef dat milieuproblemen meer gerelateerd zijn aan de maatschappij en sociale
verschijningsvormen. In die jaren vonden bepalende politieke gebeurtenissen
plaats als de val van de muur en het communisme in het Oostblok. In de
ontwikkelingslanden nam de bevolkingsgroei niet echt af en een steeds groter
aantal mensen begon in steden te leven. Het aantal vluchtelingen verdubbelde.
Omdat de bevolking in de steden snel groeide,kon men de infrastructurele vraag
niet meer aan. Daar komt bij dat in de 1980s een reeks
catastrofes zich afspeelden als de explosive van de kerncentrale te Chernobyl,
de olieramp van de Exxon Valdez supertanker, etc waardoor een permanente impact
werd achtergelaten op het milieu en de menselijke gezondheid. Deze situatie
leidde tot de geboorte van het idee dat milieu-items systemisch zijn en dat
lange termijn stategiën nodig zijn tezamen met integrale actie en de deelname
van alle landen en alle leden van de samenleving.
Dit werd
beschreven in het rapport van de United Nations World Commission on Environment
and Development (WCED) genaamd “Our Common Future” (1987) dat beschouwd kan
worden als de nieuwe mijlpaal voor “duurzame ontwikkeling”.
 
Het rapport analyseert de relatie tussen schade aan
het milieu en de economie op wereldwijde schaal. Er werden bijeenkomsten over
georganiseerd in ontwikkelde en ontwikkelingslanden en het proces stimuleerde
verschillende groeperingen hun visie duidelijk te maken over zaken als bosbouw,
water, energie, technologie en duurzame ontwikkeling in het algemeen. De term
“duurzame ontwikkeling” werd een nieuw paradigma en wordt gedefinieerd
als: ontwikkeling die beantwoordt aan de behoeften van huidige generaties zonder
het voor toekomstige generaties onmogelijk te maken in hun behoeften te kunnen
voorzien.
De commissie stelde dat de huidige besluitvormers
niet in staat zijn genoeg te doen aan de opwarming van de aarde en al haar
problemen en dat vele nieuwe organisaties nodig zijn om er mede aan te werken.
Een tweede conferentie zorgde er voor dat grote groepen mensen in contact kwamen
met de tem duurzame ontwikkeling. Het was de Earth Summit te Rio de Janeiro in
1992. De conferentie liet zien dat milieuproblemen gerelateerd zijn aan
economische en sociale zaken. De wereldleiders kwamen overeen dat gestreden
moest worden tegen de opwarming van de aarde, dat de biodiversiteit behouden
moest blijven en dat gevaarlijke chemicaliën in de ban moesten. De voornemens
werden uitgevoerd met wisselend succes. Vele landen tekenden het Kyotoprotocol
waarin de kooldioxide uitstoot zou worden beperkt maar veel landen gaven eerst
de prioriteit aan andere korte termijn belangen. Landen die sterk afhankelijk
zijn van olie (als de V.S. en Saudi Arabie) weigerden deel te nemen aan het
protocol.
Tien jaar na Rio werd een
nieuwe wereldtop gehouden in Johannesburg (2002) om te evalueren wat er was
gebeurd in 10 jaar. Er werden meer concrete besluiten genomen als in 2015 is het
aantal mensen dat geen goed sanitair heeft gehalveerd. Er werden vijf
probleemgebieden gedefinieerd: water en sanitair, energie, gezondheid, landbouw
en biodiversiteit. De ontwikkelingslanden werden zich meer bewust van
milieuproblemen, ongelijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen en de bijdrage
van de ontwikkelde landen aan de milieuvervuiling. Toch slaagden
oliemaatschappijen, de V.S. en Japan er in de toepassingen van duurzame
energiebronnen te ontmoedigen in het voordeel van hun eigen belangen.
Uit de conferenties vloeide de volgende wereldwijde
kijk op het milieu voort:
·
Zowel in ontwikkelde landen als in
ontwikkelingslanden merkt men steeds meer dat milieuproblemen vernietigende
gevolgen hebben.
·
Individuen in de moderne maatschappij
hebben een zekere kennis en bewustzijn van het milieu. Vandaar dat we kunnen
verwachten dat men ook anders gaat handelen in de toekomst.
·
Dat we rationeel met onze hulpbronnen
om moeten gaan voor nu maar ook voor toekomstige generaties, behoort inmiddels
tot het basale beleid.
·
Het vervuiler betaalt principe en het
voorkomen van vervuiling in plaats van herstel van de natuur na vervuiling wordt
nu wereldwijd geaccepteerd. In Nederland heeft men het de vervuiler
betaalt principe veranderd in de vervuiler ruimt op principe.
·
De term duurzame ontwikkeling is het
nieuwe paradigma geworden
·
En het is tijd voor actie.
Met
het laatste wordt bedoeld dat duidelijk is dat op dit moment nog niet veel
veranderd is. Meer en meer ziet men in dat het juist de mensheid is die de
milieuproblemen veroorzaakt. Dus zullen we zelf in actie moeten komen.
Tot slot kan men zeggen dat men vroeger een
mechanistische kijk op de wereld had. De wereld als een machine die gebruikt kan
worden voor het welzijn van de mens. Vervolgens kwam de ecocentrische kijk op de
wereld die meer holistisch is en die benadrukt dat het geheel meer is dan de
delen en dat de mens onderdeel is van de natuur en niet dat de mens er los van
staat. Dit ecologisch paradigma leidde tot nieuwe ethiek waarin alle delen van
een ecosysteem, inclusief de mens, even belangrijk zijn en waarbij ook waarde
wordt toegekend aan de intrinsieke waarde van alle organismen. Het zorgt er voor
dat we moeten gaan naar een nieuw bewustzijn en nieuwe productie- en
reproductiemethoden die de kwaliteit van het menselijk welzijn maar ook van de
natuur verbeteren.
|